Gezondheid

Epilepsie bij de hond

Informatie over verschijnselen, vormen, behandeling en erfelijkheid

Epilepsie bij de hond is een relatief vaak voorkomend neurologisch probleem. Het komt voor bij zowel rashonden als niet-rashonden en kan gepaard gaan met lichte tot zeer heftige epileptiforme aanvallen.

De aandoening kan een grote impact hebben op hond en gezin. Behandeling en leren leven met een hond met epilepsie is vaak goed mogelijk, mits eigenaar en dierenarts goed samenwerken.

Erfelijkheid is voor rasverenigingen, fokkers en dierenartsen een belangrijk aandachtspunt, maar het beantwoorden van de erfelijkheidsvraag is complex.

De verschillende vormen van epilepsie

Het woord epilepsie is afkomstig uit het Grieks en betekent overname of aanval. Epilepsie omvat meerdere vormen van epileptiforme aanvallen en niet alleen de klassieke gegeneraliseerde aanval met bewustzijnsverlies en krampen.

Primaire epilepsie

Bij primaire, idiopathische of genetische epilepsie vinden aanvallen plaats zonder dat elders in het lichaam een duidelijke oorzaak wordt gevonden.

Vaak ontstaan de eerste aanvallen tussen ongeveer 1 en 6 jaar, al kunnen eerste aanvallen eerder gemist worden.

Behandeling bestaat meestal uit medicatie die de aanvallen onderdrukt.

Secundaire epilepsie

Bij secundaire epilepsie worden aanvallen veroorzaakt door een aantoonbare andere aandoening.

Mogelijke oorzaken zijn onder andere infecties, tumoren, trauma, stofwisselingsproblemen, vergiftigingen of zuurstoftekort.

De behandeling richt zich waar mogelijk op de onderliggende oorzaak.

Een gedeeltelijke of mildere aanval betekent niet automatisch dat deze niet erfelijk is.

Gegeneraliseerde epilepsie

Een epileptiforme aanval kan uit vier stadia bestaan.

  1. Prodrome
    De fase waarin de aanval opkomt. Deze kan uren tot dagen voorafgaan aan de aanval. De hond kan rusteloos zijn, overdreven aandacht vragen of ander gedrag vertonen.
  2. Aura
    Deze fase vindt seconden tot minuten voor de feitelijke aanval plaats. De hond kan vreemd kijken, met de ogen rollen, met de kaken klappen of de eigenaar opzoeken.
  3. Ictus
    De daadwerkelijke aanval. Er kunnen tonische en clonische krampen optreden, bewustzijnsverlies, kwijlen en verlies van urine of ontlasting.
  4. Post-ictale fase
    De periode na de aanval. Deze kan seconden tot dagen duren. De hond kan slapen, rusteloos zijn, gedesoriënteerd raken, tijdelijk blind lijken of geheugenverlies vertonen.
Houd altijd rekening met uw eigen veiligheid. Een hond kan tijdens of kort na een aanval gedesoriënteerd zijn en niet normaal reageren.

Partiële aanvallen

Partiële of gedeeltelijke aanvallen beginnen lokaal en kunnen beperkt blijven tot bijvoorbeeld een deel van het hoofd of een poot. De hond kan hierbij bij bewustzijn blijven.

Soms gaat een partiële aanval over in een gegeneraliseerde aanval.

Bewegingen tijdens de slaap, zoals lopen met de poten, huilen of smakken, horen normaal bij dromen en zijn niet hetzelfde als een partiële epileptische aanval.

Clustering en status epilepticus

Bij clustering krijgt een hond meerdere aanvallen kort na elkaar, waarbij tussen de aanvallen wel een post-ictale fase herkenbaar is.

Bij een status epilepticus volgen meerdere aanvallen elkaar op zonder herkenbare post-ictale fase.

Status epilepticus is een levensbedreigende situatie. Neem hierbij direct contact op met een dierenarts.

Wanneer spreken we van primaire epilepsie?

  • De eerste aanval ontstaat vaak tussen ongeveer 6 maanden en 5 jaar, al zijn uitzonderingen mogelijk.
  • Aanvallen kunnen gegeneraliseerd of partieel beginnen.
  • Tussen de aanvallen door is de hond doorgaans gezond.
  • Er is meestal geen duidelijke relatie met beweging of voeding.
  • Tijdens lichamelijk en neurologisch onderzoek worden geen duidelijke afwijkingen gevonden.

Hoe vaak komt het voor?

Primaire epilepsie komt voor bij alle hondenrassen en kruisingen. De incidentie wordt geschat op ongeveer 0,5 tot 1 procent, maar kan per ras en populatie aanzienlijk verschillen.

Door het rasgebonden voorkomen wordt vermoed dat primaire epilepsie een erfelijke component heeft.

Wat te doen bij een epileptische aanval?

  • Probeer rustig te blijven.
  • Observeer de hond.
  • Schuif zo nodig meubels opzij zodat de hond zich niet verwondt.
  • Breng andere honden eventueel naar een andere ruimte.
  • Noteer de duur en de verschijnselen.
  • Probeer de hond niet vast te houden.
  • Probeer tijdens de aanval geen tabletten toe te dienen.
Duurt de eigenlijke aanval langer dan 5 minuten?
Neem dan contact op met uw dierenarts.

Is het de eerste aanval van de hond, dan is het verstandig om een afspraak te maken met de dierenarts voor onderzoek.

Behandeling

Na één enkele aanval wordt meestal niet direct gestart met medicatie. Eerst wordt gekeken naar de frequentie en ernst van de aanvallen.

Medicinale behandeling wordt vaak overwogen wanneer aanvallen vaker dan eens per twee tot drie maanden optreden of wanneer de gevolgen van een aanval langdurig zijn.

Doel van behandeling

  • De tijd tussen aanvallen verlengen.
  • De duur van aanvallen verkorten.
  • De ernst van aanvallen verminderen.

Houd een dagboek bij

Wanneer u vermoedt dat uw hond een epileptische aanval heeft gehad, kan een dagboek waardevolle informatie opleveren voor uw dierenarts.

Noteer onder andere

  • Datum van de aanval.
  • Duur van de aanval.
  • Bewustzijnsverlies.
  • Krampen over het lichaam.
  • Bewegingen met de poten.
  • Klapperen met de kaken.
  • Kwijlen of schuimbekken.
  • Verlies van urine.
  • Verlies van ontlasting.
  • Gedrag voor en na de aanval.

Prognose

Er zijn honden die tijdens hun hele leven slechts één of enkele epileptische aanvallen krijgen. Honden met epilepsie kunnen in veel gevallen net zo oud worden als gezonde dieren en buiten de aanvallen een normaal leven leiden.

In een klein aantal gevallen slaat medicatie onvoldoende aan en nemen frequentie of ernst toe. Wanneer de kwaliteit van leven ernstig wordt aangetast, kan uiteindelijk een moeilijke beslissing noodzakelijk zijn.

Is epilepsie erfelijk?

De erfelijkheid van epilepsie is complex. Niet iedere lijder vertoont dezelfde symptomen en verschillende externe factoren kunnen invloed hebben.

Daarnaast bestaan verschillende verschijningsvormen die in het verleden soms ten onrechte als niet-erfelijk werden beschouwd.

Aanwijzingen voor erfelijkheid

  1. Vergelijkbare leeftijd waarop de ziekte begint.
  2. Een terugkerend vergelijkbaar klinisch beeld.
  3. Een steeds vergelijkbare lichamelijke afwijking, hoewel die bij epilepsie vaak niet aantoonbaar is.
  4. Familiair verband: lijders zijn meer aan elkaar verwant dan aan de rest van de populatie.
  5. Toename bij inteelt.
  6. Een hogere inteeltcoëfficiënt bij lijders.
  7. Een specifieke chromosomale of genetische afwijking.
  8. Een specifieke afwijking van een eiwitmolecuul.
Bij de Belgische Herder zijn volgens de aangeleverde informatie momenteel geen eenvoudige genetische testen beschikbaar waarmee aanleg voor epilepsie betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Tot slot

Epilepsie bij de hond is naar alle waarschijnlijkheid bij verschillende rassen erfelijk, waaronder de Belgische Herder. De vererving is echter complex en waarschijnlijk afhankelijk van meerdere genen en meerdere factoren.

De taak van de fokker is daarom om fokdieren zo zorgvuldig mogelijk te selecteren. Een fokker kan helaas nooit volledig garanderen dat een gefokte hond geen epilepsie krijgt.

Bij de langharige Belgische Herders wordt epilepsie volgens de aangeleverde tekst vaker gezien dan bij de kort- en ruwharige variëteiten.

Wanneer een hond epilepsie krijgt, is ondersteuning van eigenaar en fokker belangrijk. Hoewel epilepsie een ernstige aandoening kan zijn, kunnen veel honden met of zonder medicatie een goed leven leiden.

Dit artikel is tot stand gekomen met behulp van meerdere publicaties, waaronder het artikel uit de Hondenwereld van Dr. P.J.J. Mandigers, dierenarts-specialist Interne Geneeskunde & Neurologie.